
Jurisprudentie
AV7970
Datum uitspraak2006-06-06
Datum gepubliceerd2006-06-06
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01403/05
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-06
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01403/05
Statusgepubliceerd
Indicatie
Strafmotivering en recidive. Het hof heeft geoordeeld dat verdachte niet in aanmerking komt voor een andere, lichtere strafmodaliteit dan gevangenisstraf op de grond dat hij zich behalve aan het bewezenverklaarde misdrijf heeft schuldig gemaakt aan een ander, ernstig geweldsdelict waarvoor het hof verdachte op dezelfde dag heeft veroordeeld. Nu dat geen onherroepelijke veroordeling betrof had het hof dat feit niet bij de strafoplegging in aanmerking mogen nemen. Aan het middel dat daarover terecht klaagt is evenwel het belang komen te ontvallen nu genoemde veroordeling bij arrest van de HR van 23-5-06 onherroepelijk is geworden.
Conclusie anoniem
Griffienr. 01403/05
Mr. Wortel
Zitting:28 maart 2006
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Leeuwarden, waarbij verzoeker wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf. Ten behoeve van een benadeelde partij heeft het Hof verzoeker betalingsverplichtingen opgelegd als in het arrest vermeld.
2. Namens verzoeker hebben mrs. G.P. Hamer en B.P. Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
Deze zaak hangt samen met de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder griffienummer 01404/05, waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Het enige middel betreft de motivering van de opgelegde straf.
4. Die luidt:
"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich op 9 september 2002 schuldig gemaakt aan bedreiging van een treinsurveillant van de Nederlandse Spoorwegen. Verdachtes gedrag is onacceptabel en heeft gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, waardoor deze surveillant een periode niet meer heeft kunnen werken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 26 oktober 2004 - al eerder is veroordeeld, onder meer ter zake van een soortgelijk feit, en hem vele malen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte uit een oogpunt van normhandhaving een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.
Voor een andere, lichtere strafmodaliteit komt verdachte niet in aanmerking mede omdat hij zich op 27 juni 2003 heeft schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict (artikel 312 van Wetboek van Strafrecht). In die zaak (parketnummer 24.000909.04) heeft het hof verdachte (eveneens) op 23 december 2004 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden."
5. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op HR NJ 2005, 274.
6. Bij die gelegenheid beoordeelde de Hoge Raad een strafmotivering waarin was vermeld dat de verdachte "een extra zware straf" verdiende omdat hij zich niet alleen aan de bewezenverklaarde misdrijven had schuldig gemaakt, maar ook nog aan andere feiten, te weten afpersing van een kennis van het slachtoffer (van het bewezenverklaarde feit) alsmede het mishandelen en bedreigen van verwanten van het slachtoffer.
De Hoge Raad oordeelde dat die strafmotivering niet begrijpelijk was omdat die feiten niet "ad informandum" waren vermeld en door de verdachte erkend; die feiten evenmin waren aan te merken als omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde was begaan, en ook niet als bezwarende persoonlijke omstandigheden hadden mogen meewegen, omdat de verdachte daarvoor niet onherroepelijk was veroordeeld.
7. In dit geval gaat het eveneens om een feit waarvoor verzoeker nog niet onherroepelijk was veroordeeld. Het gaat immers om een veroordeling die de uitkomst is van een gelijktijdig behandelde strafzaak (die bij de Hoge Raad is ingeschreven onder het griffienummer 01404/05).
8. Naar mijn inzicht heeft het Hof de in HR NJ 2005, 274 getrokken grens echter niet overschreden omdat de gelijktijdig berechte zaak niet is gebruikt als reden om verzoeker "een extra zware straf" op te leggen. Het Hof heeft daarin slechts grond gezien om geen lichtere strafmodaliteit te kiezen. Het kan ervoor gehouden worden dat het Hof heeft beoogd tot uitdrukking te brengen dat een lichtere straf dan door de eerder vermelde omstandigheden gevergd niet aangewezen is omdat de gelijktijdig berechte zaak een aanwijzing geeft dat verzoeker zich ook na het bewezenverklaarde feit nog heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Dat lijkt mij niet onredelijk, waaraan niet afdoet dat die gelijktijdig uitgesproken veroordeling (uiteraard) nog niet onherroepelijk was.
9. Het middel houd ik derhalve voor tevergeefs voorgesteld.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
6 juni 2006
Strafkamer
nr. 01403/05
PB/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Leeuwarden van 23 december 2004, nummer 24/000907-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 27 maart 2003 - de verdachte ter zake van "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat de strafmotivering onbegrijpelijk is nu het Hof bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met een strafbaar feit waarvoor de verdachte niet onherroepelijk is veroordeeld.
3.2. Het Hof heeft ter motivering van de opgelegde straf het volgende overwogen:
"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich op 9 september 2002 schuldig gemaakt aan bedreiging van een treinsurveillant van de Nederlandse Spoorwegen. Verdachtes gedrag is onacceptabel en heeft gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, waardoor deze surveillant een periode niet meer heeft kunnen werken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 26 oktober 2004 - al eerder is veroordeeld, onder meer ter zake van een soortgelijk feit, en hem vele malen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte uit een oogpunt van normhandhaving een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.
Voor een andere, lichtere strafmodaliteit komt verdachte niet in aanmerking mede omdat hij zich op 27 juni 2003 heeft schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict (artikel 312 van Wetboek van Strafrecht). In die zaak (parketnummer 24.000909.04) heeft het hof verdachte (eveneens) op 23 december 2004 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden."
3.3. Blijkens deze overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte niet in aanmerking komt voor een andere, lichtere strafmodaliteit dan gevangenisstraf op de grond dat hij zich behalve aan het bewezenverklaarde misdrijf heeft schuldig gemaakt aan een ander, ernstig geweldsdelict waarvoor het Hof de verdachte eveneens op 23 december 2004 heeft veroordeeld. Nu dat geen onherroepelijke veroordeling betrof had het Hof dat feit niet bij de strafoplegging in aanmerking mogen nemen (vgl. HR 2 november 2004, NJ 2005, 274). Aan het middel dat daarover terecht klaagt, is evenwel het belang komen te ontvallen nu genoemde veroordeling bij arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2006, nr. 01404/05, onherroepelijk is geworden. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 6 juni 2006.

